Nationaal sportakkoord

De minister van Sport heeft een akkoord gesloten met de sport, gemeenten en maatschappelijke organisaties en bedrijven. Dit nationale sportakkoord houdt onder meer in dat er ruim 700 extra buurtsportcoaches komen en dat de onbelaste vrijwilligersvergoeding omhooggaat van € 1.500 naar € 1.700 per jaar. Verder komt er een bedrag van € 87 miljoen beschikbaar aan subsidie voor sportverenigingen die investeren in accommodaties en voor beweegprogramma’s voor kinderen onder de zes jaar. Alle bij het sportakkoord betrokken partijen betalen mee om de ambities te realiseren.

Het nationaal sportakkoord bestaat uit vijf deelakkoorden, die gesloten zijn door veel verschillende partijen. Het gaat om de volgende akkoorden:

  1. inclusief sport en bewegen;
  2. van jongs af aan vaardig in bewegen;
  3. duurzame sportinfrastructuur;
  4. vitale aanbieders;
  5. positieve sportcultuur.
Geen aftrek voorbelasting als niet is geleverd

Ondernemers moeten omzetbelasting berekenen over de vergoeding die zij aan hun afnemers in rekening brengen voor de levering van goederen of het verrichten van diensten. De btw-richtlijn omschrijft de levering van een goed als de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. De belasting is verschuldigd op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt. Op dat moment ontstaat bij de afnemer het recht op aftrek van de door hem betaalde omzetbelasting. Het recht op aftrek van voorbelasting is beperkt tot de mate waarin de afgenomen goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen door de afnemer.

Het Hof van Justitie EU heeft onlangs de vraag beantwoord of het recht op aftrek van voorbelasting mag worden geweigerd omdat de gefactureerde goederen niet zijn geleverd aan de ondernemer aan wie de factuur is gericht. De verwijzende rechter wilde met name weten of voor het weigeren van aftrek nodig is om aan te tonen dat de ondernemer wist of had moeten weten dat het ging om btw-fraude. Volgens het Hof van Justitie EU is in het btw-stelsel het recht op aftrek gekoppeld aan de daadwerkelijke levering van een goed of de daadwerkelijke verrichting van een dienst. Het is uitgesloten dat er enig recht op aftrek ontstaat wanneer er geen daadwerkelijke levering of dienstverrichting plaatsvindt. Eerder heeft het Hof van Justitie EU al uitgelegd dat er geen recht op aftrek is voor belasting die uitsluitend is verschuldigd omdat zij wordt vermeld op een factuur. Het Hof van Justitie EU merkt nog op, dat degene die voorbelasting wenst af te trekken moet aantonen dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan.

Tweede Kamer neemt compensatieregeling transitievergoeding aan

De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel dat werkgevers vanaf 2020 compenseert voor de transitievergoeding bij ontslag van langdurig zieke werknemers aangenomen. Werknemers hebben bij ontslag op initiatief van de werkgever recht op een transitievergoeding wanneer de dienstbetrekking twee jaar of langer heeft geduurd. Dat geldt ook voor ontslag van een langdurig zieke werknemer na afloop van de periode waarin de werkgever tot loondoorbetaling verplicht is. Werkgevers ervaren dat als onredelijk en kiezen er daarom vaak voor om niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Het door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel moet het ongenoegen van werkgevers wegnemen. De compensatie voor de transitievergoeding komt uit het Algemeen werkloosheidsfonds en wordt gefinancierd door een verhoging van de uniforme Awf-premie.

Problemen met loonkostenvoordeel na stage

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft Kamervragen over problemen met het niet toekennen van het loonkostenvoordeel na een stage beantwoord. De minister maakt duidelijk dat de regeling is bedoeld om mensen met afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te krijgen. Middelen als proefplaatsing en stage kunnen daaraan bijdragen. Geeft een werkgever de stagiair een reële beloning, dan is sprake van een dienstbetrekking. Geeft de werkgever een stagevergoeding, dan is sprake van een fictieve dienstbetrekking. Zowel bij een fictieve als bij een reguliere dienstbetrekking komt de werkgever in aanmerking voor het loonkostenvoordeel als de werknemer voldoet aan de voorwaarden.

Een van de voorwaarden is dat de werknemer over een doelgroepverklaring beschikt. De aanvraag hiervoor moet binnen drie maanden na aanvang van de dienstbetrekking worden gedaan. Gebeurt dat niet dan wordt geen doelgroepverklaring afgegeven en heeft de werkgever geen recht op het loonkostenvoordeel. Probleem bij het aanbieden van een dienstverband na een stage is dat de periode van betaalde stage meetelt. Werkgevers doen er goed aan om de doelgroepverklaring aan te vragen op het moment dat stagiaires in de loonadministratie worden opgenomen. De minister laat onderzoeken of bij wijze van uitzondering mogelijk is dat werknemers uit de doelgroep die direct aansluitend aan een betaalde stage in 2018 een arbeidscontract zijn aangegaan met dezelfde werkgever alsnog een doelgroepverklaring kunnen aanvragen voor de stageperiode en voor de periode van het arbeidscontract. Bij een onbetaalde stage doet dit probleem zich niet voor, omdat dan geen sprake is van een fictieve dienstbetrekking.

Alternatieven btw-identificatienummer

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van het burgerservicenummer (BSN) in het btw-identificatienummer. Volgens de AP heeft het gebruik van het BSN in het btw-identificatienummer geen wettelijke grondslag. Het BSN is een vertrouwelijk persoonsnummer voor communicatie tussen overheid en burger. Het gebruik van het BSN als btw-identificatienummer is niet noodzakelijk voor de uitvoering van de taak van de Belastingdienst. Voor de registratie van een btw-ondernemer kan een nummer worden gebruikt dat niet op het BSN is gebaseerd.

Naar aanleiding van het onderzoek van de AP deelt de staatssecretaris van Financiën mee dat hij op zoek gaat naar een haalbaar alternatief. Een mogelijkheid kan zijn dat bestaande en nieuwe ondernemers/natuurlijke personen een nieuw btw-identificatienummer krijgen voor extern gebruik. Dat nummer wordt dan gebruikt in alle uitingen aan derden waarin vermelding van een btw-nummer verplicht is en in contacten met de Belastingdienst. De Belastingdienst gebruikt het nieuwe nummer in deze optiek in berichten aan de ondernemer waarin vermelding van het btw-identificatienummer vereist is en die de ondernemer moet delen met derden.

Binnen de systemen van de Belastingdienst blijft het op het BSN-gebaseerde nummer van de ondernemer in gebruik. Om dit te realiseren moet er een conversieservice worden gebouwd, die het nieuwe nummer bij inkomend verkeer omzet naar het oude nummer en bij uitgaand verkeer andersom. Of dit haalbaar en werkbaar is, wordt momenteel onderzocht. De nieuwe nummersystematiek zal niet voor de door de AP genoemde datum van 1 januari 2019 gerealiseerd kunnen worden.

Om te voorkomen dat door een onjuiste vaststelling van het eindvermogen van een onderneming over het voorafgaande jaar een deel van de bedrijfswinst onbelast blijft of dubbel wordt belast, is in de rechtspraak de foutenleer ontwikkeld. Met behulp van de foutenleer kan een balansfout worden hersteld in het oudste jaar waarvan de belastingaanslag nog niet definitief vaststaat.

De rechtbank Gelderland is van oordeel dat de foutenleer niet kan worden toegepast om een onjuiste vermogensetikettering binnen een IB-onderneming ongedaan te maken nadat de onderneming is ingebracht in een bv. Volgens de Wet Vpb wordt een bv geacht haar onderneming te drijven met behulp van haar gehele vermogen. Dat betekent dat al het vermogen van een bv ondernemingsvermogen vormt. Anders dan bij een IB-onderneming is bij een bv geen sprake van keuzevermogen, waarbij de ondernemer binnen de grenzen der redelijkheid kan bepalen of een vermogensbestanddeel tot zijn ondernemingsvermogen behoort of tot zijn privévermogen. Het leerstuk van de vermogensetikettering is kenmerkend voor de inkomstenbelasting en eindigt op het moment dat de onderneming wordt ingebracht in een bv. Omdat er geen sprake is van keuzevermogen in de bv kan de balans van de bv geen fout door een onjuiste keuze bevatten. Dat betekent dat de foutenleer niet kan worden toegepast.

Vliegbelasting

De belastingheffing zal in de toekomst verschuiven van inkomensgerelateerd naar verbruiksgerelateerd. Met name milieuonvriendelijke producten zullen zwaarder worden belast. Onderdeel van deze verschuiving is het heffen van belasting op vliegverkeer. Met ingang van 2021 wil Nederland belasting gaan heffen op vliegverkeer.

Het liefst zou Nederland zien dat er een eenduidige Europese vliegbelasting wordt geïntroduceerd. Mocht dit niet lukken dan wordt er een belasting per vliegtuig en/of een belasting per passagier ingevoerd. Uit onderzoek blijkt dat een beperkte vliegbelasting van € 3,80 per passagier binnen europa en € 22 voor intercontinentale vluchten een positieve invloed heeft op welvaart, BBP en klimaat.

Jeugd-LIV

Werkgevers hebben over 2018 recht op het jeugd-LIV voor elke werknemer die voldoet aan de volgende drie voorwaarden:

  • de werknemer is verzekerd voor 1 of meer van de werknemersverzekeringen;
  • de werknemer is op 31 december 2017 18, 19, 20 of 21 jaar;
  • de werknemer heeft een gemiddeld uurloon dat hoort bij het wettelijke minimumjeugdloon voor zijn leeftijd.

De bedragen voor het gemiddeld uurloon zijn voor 2018 als volgt vastgesteld:

Leeftijd

Ondergrens gemiddeld uurloon

Bovengrens gemiddeld uurloon

21 jaar

8,40

9,82

20 jaar

6,91

9,34

19 jaar

5,43

7,69

18 jaar

4,69

6,04

Het Jeugd-LIV wordt in de loop van 2019 automatisch uitbetaald aan de werkgever op basis van de aangeleverde loonadministratiegegevens.

Nieuwe of gebruikte auto voor de bpm?

Over de vraag wanneer sprake is van een nieuwe of gebruikte auto voor de bpm heeft de Hoge Raad al meerdere arresten gewezen. Zo staat de omstandigheid dat een auto in het buitenland is geregistreerd voordat deze in Nederland werd geregistreerd er niet aan in de weg om de auto als nieuw aan te merken wanneer de Nederlandse koper de auto voor het eerst in gebruik heeft genomen. Een auto is nieuw voor de bpm als hij niet of nauwelijks is gebruikt.

De staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van Hof Den Bosch in een procedure over de bpm. Volgens het hof ging het om een auto, die ten tijde van de registratie als een gebruikte auto moest worden aangemerkt. De staatssecretaris meent dat het om een destijds nieuwe auto gaat. De auto is op 11 januari 2012 aan de Nederlandse koper, een bv, afgeleverd met slechts 10 kilometer op de teller. Op 12 januari is de auto op naam van de bestuurder van de bv in Duitsland geregistreerd op een zogenaamd exportkenteken. Op 1 februari 2012 is in Nederland aangifte voor de bpm gedaan. De auto had op dat moment een kilometerstand van 3.092. De registratie vond plaats op 8 februari 2012 op naam van de bv.

Het hof hield geen rekening met het feit dat de auto direct aan de Nederlandse koper is afgeleverd. Volgens de staatssecretaris gaat het in dit geval om een U-bocht constructie met belastingbesparing als doorslaggevende reden. Na de aanschaf heeft de bv bewust kilometers in het buitenland laten maken om bij de registratie in Nederland voor de bpm uit te gaan van een gebruikte auto. Het hof vond dat niet aannemelijk gemaakt en oordeelde dat het enkele feit dat tussen aankoop en registratie in Nederland weinig tijd was verstreken onvoldoende bewijs is voor het oogmerk tot belastingbesparing.

De Advocaat-generaal (A-G) bij de Hoge Raad concludeert dat het beroep in cassatie van de staatssecretaris ongegrond is. De A-G meent dat, gezien het aantal gereden kilometers, het gebruik in het buitenland reële betekenis heeft. Het gaat niet om de vraag wie de auto in het buitenland in gebruik heeft genomen, maar om de vraag of de auto ten tijde van de registratie in Nederland feitelijk nieuw of gebruikt was. De A-G merkt nog op dat dat de huidige regelgeving er wellicht toe uitnodigt om met dure auto’s eerst enige tijd op Duits kenteken in het buitenland te gaan rondrijden.

Opbrengst verhuur tuinhuis niet belast

Voor de heffing van de inkomstenbelasting worden de voordelen uit eigen woning gesteld op een forfaitair bedrag. Wordt de eigen woning tijdelijk aan derden ter beschikking gesteld, dan moet 70% van de daarmee behaalde opbrengst bij de voordelen worden geteld.

De vraag in een procedure voor de rechtbank was of dat ook geldt voor de opbrengst van de verhuur van een tuinhuis. Een tuinhuis is een zogenaamde aanhorigheid van de eigen woning en maakt daarmee deel uit van de eigen woning. De vraag is dus of ook bij de verhuur van een deel van de eigen woning 70% van de opbrengst bij het inkomen moet worden geteld. Volgens de rechtbank gaat de tekst van de wet uit van tijdelijke verhuur van de gehele woning. Dat volgt ook uit de parlementaire toelichting bij het betreffende wetsartikel. Tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning is bij de parlementaire behandeling niet aan de orde geweest.

Grensoverschrijdende constructies

In een poging om een betere afstemming te krijgen in de internationale belastingheffing en belastingontwijking tegen te gaan wordt een eerste maatregel genomen. Met ingang van 1 juli 2020 zijn adviseurs, zoals belastingadviseurs en accountants, verplicht om grensoverschrijdende constructies te melden welke zijn bedoeld om belasting te ontwijken. Onderdeel van de regelgeving is dat de meldingsplicht geldt voor constructies die na 25 juni 2018 zijn opgezet. De informatie over de periode van 25 juni 2018 tot 1 juli 2020 hoeft pas uiterlijk 31 augustus 2020 aan de Belastingdienst te worden verstrekt

In oltober 2020 zal er een eerste informatieuitwisseling tussen lidstaten plaatsvinden. Een betere afstemming is een eerste stap in het voorkomen van misbruik. Ook wordt verwacht dat de maatregel preventief zal werken.

De wetgeving wordt thans voorbereid en dient te voldoen aan de richtlijnen van de Europese Unie. In het najaar zal er een consultatieronde plaatsvinden. We houden u op de hoogte van de ontwikkelingen.

Nieuwe wetgeving positie zelfstandigen zonder personeel

De fiscale en arbeidsrechterlijke postie van een zelfstandige zonder personeel (zzp’er) blijft de overheid bezighouden. De doelstelling van de wetgever is om ondernemers de vrijheid te geven om ondernemer te zijn doch ongewenste constructies die de beschermingsgrenzen van het arbeidsrecht overschrijden tegen te gaan.

Dit is geen eenvoudige opgaaf zo blijkt uit het verleden. De Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) is grotendeels buiten werking gesteld tot 1 januari 2020. Wel wordt de handhaving op misbruik met ingang van 1 juli 2018 intensiever. Zoals in februari aangekondigd gaat de Belastingdienst vanaf 1 juli 2018 niet alleen bij de ernstigste kwaadwillenden, maar bij alle kwaadwillenden handhaven.

De plannen zoals deze thans worden uitgewerkt gaan uit van bescherming door middel van een minimaal uurtarief voor de zzp’er en een veronderstelde arbeidsrelatie bij lage uurtarieven. In de tweede helft van het jaar zal er een uitgebreide consultatieronde plaatsvinden. Doel is voor 1 januari 2019 met nadere voorstellen te komen.

Uitbreiding geboorteverlof partner

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het wetsvoorstel Wet Invoering Extra Geboorteverlof (WIEG) naar de Tweede Kamer gestuurd. Op grond van dit wetsvoorstel krijgen partners na de geboorte van een kind vijf in plaats van twee dagen doorbetaald verlof. Het geboorteverlof wordt per januari 2019 ingevoerd. Het verlof kan meteen worden opgenomen, maar kan ook later worden opgenomen, mits het in de eerste vier weken na de bevalling gebeurt.

Vanaf juli 2020 maakt dit wetsvoorstel het mogelijk om in het eerste half jaar na de geboorte nog eens vijf weken extra verlof op te nemen. In die periode hebben partners recht op een uitkering ter hoogte van 70% van het loon. Overigens wordt ook het adoptie- en pleegzorgverlof voor ouders per 1 januari 2019 verlengd van vier naar zes weken.

Evaluatie EIA

Subsidieregelingen met een wettelijke grondslag worden iedere vijf jaar geëvalueerd. Dat geldt ook voor de energie-investeringsaftrek (EIA). De evaluatie van deze regeling over de periode van 2012 tot en met 2017 is onlangs afgerond. Naar aanleiding van de resultaten van deze evaluatie wil het kabinet de regeling continueren tot 1 januari 2024. Het kabinet zal het aftrekpercentage in het Belastingplan 2019 verlagen van 54,5% naar 45%. Het netto belastingvoordeel wordt daardoor lager, maar zou voldoende moeten zijn om ondernemers energie-investeringen te laten doen. Samenvoeging van het loket voor EIA en MIA\Vamil-aanvragen zou moeten leiden tot een vermindering van de administratieve lasten voor ondernemers.

De belangrijkste aanbevelingen in het evaluatierapport zijn:

  1. Verlaag het effectieve aftrekpercentage.
  2. Voeg nieuwe technieken toe aan de Energielijst en verwijder bestaande technieken. De prestatienormen moeten tussentijds worden aangescherpt.
  3. Integreer de dienstverlening voor EIA- en MIA\Vamil om het onderscheid tussen beide voor ondernemers zichtbaarder te maken.
  4. Maak de minister van Economische Zaken eindverantwoordelijk voor de Uitvoeringsregeling EIA en de Energielijst.
  5. Onderzoek de effecten van het verruimen van de besparingsnormen voor industriële processen.
  6. Onderzoek of meer maatwerk binnen de EIA mogelijk is.
Diverse uitkeringsbedragen per 1 juli 2018

De uitkeringsbedragen van diverse sociale verzekeringen zijn gekoppeld aan het minimumloon. In verband met de verhoging van het minimumloon per 1 juli 2018 gaan ook de uitkeringsbedragen omhoog. Het gaat onder meer om de bijstandsuitkeringen, de inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en gewezen zelfstandigen (IOAW en IOAZ), de AOW-uitkeringen en de Anw-uitkeringen.

AOW

Gehuwden/samenwonenden  
per maand

€ 789,81

vakantie-uitkering € 50,29
totaal €  840,10
Gehuwden/samenwonenden met maximale toeslag (partner jonger dan 65 jaar)
per maand € 1.579,62
vakantie-uitkering € 100,58
totaal € 1.680,20
Alleenstaanden
per maand € 1.156,43
vakantie-uitkering € 70,40
totaal € 1.226,83

De hierboven genoemde bedragen zijn exclusief de inkomensondersteuning AOW van € 24,93 bruto per maand.

Maximumdagloon (WW, WIA, WAO en ZW)
Uitkeringen uit de WW, de WIA, de WAO en de ZW worden per 1 juli 2018 verhoogd met 1,03%. Het maximumdagloon voor deze verzekeringen gaat per 1 juli 2018 omhoog van € 209,26 naar € 211,42 (bruto).

Kinderbijslag
De kinderbijslag bedraagt per 1 juli 2018 per kwartaal:

per kind van 0 t/m 5 jaar (70%) € 202,23
per kind van 6 t/m 11 jaar (85%) € 245,57
per kind van 12 t/m 17 jaar (100%) € 288,90